Pedagogisch beleid en pedagogische visie TSO

 

 

Inleiding

 

Onze aanpak van de tussenschoolse opvang is gericht op twee doelen.

De doelen die wij aan willen bieden zijn:

ü  Het dient een rustpunt te zijn, waarbij de kinderen rustig hun lunch kunnen nuttigen.

ü  Er dient ook tijd te zijn om even actief bezig te kunnen zijn, bij voorkeur buiten.

 

1.   Pedagogische basisdoelen

 

Uitgangspunten van onze pedagogische visie zijn voor ons de vier pedagogische basisdoelen van opvoeding van kinderen in de buitenschoolse opvang, dagopvang en gezin. Deze vier basisdoelen zijn:

-          Emotionele veiligheid en geborgenheid voor alle kinderen

-          Ruimte voor persoonlijke competentie

-          Ruimte voor sociale competentie

-          Kinderen normen en waarden bijbrengen

 

1.1  Emotionele veiligheid en geborgenheid voor alle kinderen

 

Ook tijdens het uurtje overblijven zijn de ervaringen die de kinderen opdoen belangrijk voor hun ontwikkeling en opvoeding. Wij vinden het heel belangrijk dat kinderen zich fijn voelen tijdens de TSO en kiezen daarom voor een positieve benadering en veel aandacht voor de emotionele veiligheid van de kinderen. Ze worden gestimuleerd zich in harmonie met groepsgenootjes te ontwikkelen en verantwoordelijkheid te dragen voor hun eigen gedrag en voor hun omgeving.

 

Kinderen hebben van nature veel competenties en veel mogelijkheden om hier iets mee te doen. Het is daarom belangrijk dat zij mogen zijn, wie zij zijn. Samen spelen, van alles ontdekken, met elkaar delen, gezamenlijke rituelen, grenzen leren kennen en waardering krijgen.

De overblijfkrachten en stagiaires gaan liefdevol en respectvol om met kinderen zodat deze ontspannen kunnen zijn en zich geborgen kunnen voelen.

 

1.2.  Ruimte voor persoonlijke competentie

 

Spelen doen kinderen voor hun plezier. Alleen of samen met anderen. Doen waar je zin in hebt.

Tijdens de TSO kunnen de kinderen zelf kiezen welke activiteit ze willen doen. Ze worden gestimuleerd, maar niet gedwongen om aan activiteiten mee te doen.

Door het kind te bevestigen, zelf te laten verkennen, zelf te laten puzzelen en aan te moedigen, groeit zijn zelfvertrouwen.

 

De overblijfkrachten kunnen, indien nodig, een activiteit aanbieden die bij de kinderen past.

Kinderen proberen oplossingen te vinden voor allerlei zaken waar ze mee te maken krijgen en doen zo allerlei ervaringen op die hen helpen hun creativiteit, zelfstandigheid, zelfvertrouwen en veerkracht te ontwikkelen. Zo ontstaat er een basis om contacten aan te gaan met andere kinderen en volwassenen.

 

Na het eten zullen de kinderen veelal buiten gaan bewegen, rennen,  voetballen, badmintonnen, zodat zij allerlei vaardigheden leren en hun motoriek ontwikkelen. Het is voor kinderen onontbeerlijk om veel te kunnen bewegen. Kinderen vinden het heerlijk om buiten te spelen. Daarnaast leren zij hun grenzen en mogelijkheden kennen.

 

 

1.3  Ruimte voor sociale competentie

 

Door een goede band met de overblijfkrachten te ervaren, merkt het kind dat het gewaardeerd wordt en dat het vertrouwen kan hebben in de volwassenen.

 

Tijdens het spel onderzoeken en verkennen kinderen steeds weer nieuwe terreinen. Bij de tussenschoolse opvang zijn de kinderen in een leeftijd dat ze steeds meer rekening met elkaar houden. De kinderen leren veel van de interactie met elkaar. Samen delen ze ervaringen, leren omgaan met winnen en verliezen, leren ze ruzies bij te leggen en overleggen met elkaar. Ze leren delen, op elkaar wachten en voor zichzelf opkomen. Ook weten ze wanneer er inzet verwacht wordt en nemen initiatieven tijdens het spel. Ze merken dat ze hun best moeten doen. Hiermee ontwikkelen ze hun sociale leven. Als overblijfkracht doe je daarom soms een stapje terug en observeer je in plaats van in te grijpen. Ook het omgaan met conflicten is heel leerzaam voor de kinderen.

 

Voorbeeld:

Erik en Michiel willen tegelijkertijd op de stelten. Het wordt duwen en trekken. Erik begint te zich vervelend te voelen en wordt verdrietig. Michiel besluit om Erik voor de stellen dat hij er even mee speelt en dat Erik ze dan kan hebben.

Erik vindt dit een redelijk voorstel en gaat ermee akkoord.

 

Soms hebben zij hierbij begeleiding nodig maar vaak lossen kinderen hun onenigheden zelf op en kan de overblijfkracht op een afstand de gang van zaken in de gaten houden. Kinderen kunnen ook zien dat andere kinderen soms boos zijn en dat dit ook mag. Ze helpen elkaar vaak als ze zien dat de ander het moeilijk heeft. Ze hebben oog voor elkaars verdriet en troosten elkaar.

 

De kinderen zijn vaak in groepjes tijdens bepaalde activiteiten. Ze hebben de keus of ze mee willen doen met de activiteit. Ze worden wel gestimuleerd om mee te doen maar er wordt geen dwang uitgeoefend. Tijdens het vrije spel kiezen zij zelf waar ze mee willen spelen en met wie ze willen spelen.

 

 

1.4.  Kinderen normen en waarden bijbrengen

 

Het bijbrengen van normen en waarden betekent voor de pedagogische werkwijze dat er een sfeer is op de TSO waarbij iedereen respectvol met elkaar omgaat. Zo geven de volwassenen een goed voorbeeld. Met elkaar spreken we manieren af om elkaar ook aan de afspraken te houden, je open te stellen voor elkaar.

 

De overblijfkrachten houden rekening met de eigenheid en autonomie van kinderen. De kinderen mogen zijn wie ze zijn. Wij staan open voor gebruiken en gewoontes uit andere culturen. Er wordt geen oordeel gegeven over verschillen tussen kinderen en er is veel aandacht voor een goede omgang met elkaar.

 

In de groep wordt met de kinderen gesproken over afspraken en omgangsvormen.

Kinderen leren rekening houden met elkaar, elkaar helpen, elkaar geen pijn doen, leren op de beurt wachten, niet door elkaar heen te praten, samen opruimen.

 

Voorbeeld:  

Marloes haar oog is afgeplakt in verband met een correctie van haar oog. Er zijn kinderen die daar onwennig tegen aankijken en geneigd zijn Marloes uit te lachen. Dit is natuurlijk niet fijn voor Marloes die zich al onzeker voelt over haar afgeplakte oog. De groepsleiding gaat samen met Marloes en de kinderen praten. Zij vertellen dat het afplakken van het oog belangrijk is voor het oog van Marloes en dat het niet iets raars is maar iets heel gewoons. “In principe kan iets dergelijks bij iedereen eens gebeuren. Als het jou treft zou je ook niet blij zijn als anderen je uitlachen”. De kinderen begrijpen dit heel goed en reageren begrijpend. Ze gaan weer gewoon spelen. Er is verder geen negatieve aandacht meer voor het oog van Marloes die het daardoor ook van zich af kan zetten.

 

Tijdens het buiten spelen, de gezamenlijke maaltijd en andere activiteiten zijn er duidelijke omgangsregels waar kinderen en overblijfkrachten zich aan houden.

Ook met de ruimte binnen en buiten en het speelgoed moet respectvol worden omgegaan.

 

 

 

2.   Veilig buiten spelen

 

Op de buitenlocaties die we gebruiken wordt regelmatig kritisch gekeken naar de plekken waar de kinderen spelen om alle eventuele risico's i.v.m. de veiligheid en de hygiëne tot een minimum te reduceren. Er zijn weliswaar grenzen aan veiligheid omdat we de kinderen ruimte geven om de wereld te kunnen ontdekken en om naar hartenlust te kunnen spelen. Door de goede begeleiding van onze overblijfkrachten kunnen de kinderen zich uitleven, aan activiteiten meedoen en zich ontwikkelen.

 

 

 

3.   Ouders

 

Ouders kunnen ook altijd een afspraak maken met de coördinatrice of iemand van de leiding. Er is dan meer tijd om rustig een en ander met elkaar te bespreken.

Als er aankondigingen zijn van speciale activiteiten of speciale mededelingen zal de coördinatrice  de ouders een brief meegeven via de groep of er komt een stukje in de lichtflits.

 

 

4.   Een gewone overblijfmiddag

 

De kinderen gaan zelfstandig vanuit hun klaslokaal naar de groep waar ze overblijven. Zij krijgen bruin brood en melk. Voor diegene die geen melk (mogen) drinken krijgen ze water. Zij kunnen kiezen uit een aantal soorten hartig of zoet beleg. Te beginnen met hartig en dan evt afgewisseld met zoet.  Zij eten gezamenlijk aan tafel in de groepsruimte. De groepsruimte is meestal een klaslokaal. Er zijn ook kinderen die zelf hun eten en drinken meenemen van thuis, zij zitten veeleal met elkaar in een groepje. Na het eten gaan zij buiten spelen, de kinderen die uit een broodtrommel eten als eerste, want zij zijn eerder klaar met eten. Uiteraard dient er wel minimaal een overblijfkracht buiten te zijn.

Een groep van de bovenbouw mag bij voldoende tijd mee naar het speelveld, buiten het schoolterrein.

Bij zeer nat weer blijven de kinderen binnen spelen.

 

Om 12.50 nemen de docenten de verantwoordelijke leiding over en dan kunnen ook de kinderen die van thuis komen weer het terrein op.